monster
- Elske-Marije

- 26 jun 2018
- 3 minuten om te lezen
Door het donker van de pas net begonnen nacht klinkt een roep waarop ik antwoorden moet. Huilen, van mijn jongste moppie. Hoewel ik ooit dacht dat ik het nooit zou leren, ken ik inmiddels alle huiltjes van mijn kroost als mijn broekzak en dit is er overduidelijk één van echt verdriet en mama nodig.
Het kleine jongetje slaapt gelukkig tegenwoordig in een GroteJongensBed. Plek genoeg dus voor mij om naast hem te kruipen en hem dicht tegen me aan te trekken. Ik sta mezelf toe daar even van te genieten, ondanks de tranen van mijn nog half slaperige kind, en laat hem woordeloos uithuilen. Als de lange halen veranderd zijn in korte, stille snikken, vraag ik wat er is. 'Er zijn monsters buiten!' De gesmoorde woorden kunnen nog net langs de platgekauwde snuit van Beer zijn mond uit. Monsters. Ai. Dat is een serieus probleem. Ik heb even de tijd nodig om te bedenken hoe ik het best reageren kan.

'Monsters bestaan niet,' is onbruikbaar. Als je twee bent, bestaan ze wél, want je hebt ze zelf in een boekje gezien! Overdag zijn ze grappig en een beetje spannend, 's nachts ronduit angstaanjagend. Die angst mag ik niet ontkennen. Voor 'maak er iets grappigs van,' is hij nog te klein. Dat werkt wel voor zijn broer. Als die eens een enge droom heeft, helpt het als hij zich voorstelt hoe de alien een bord met spaghetti en tomatensaus omgekeerd op zijn kop krijgt, hoe de reuzeninktvis roze strikjes in zijn tentakels heeft en hoe de ninjaschurk uitglijdt over een enorme drakendrol. Humor brengt altijd licht, maar dan wel pas als je oud genoeg bent om zelf grapjes te maken. Vriendjes maken met de griezel zijn we voorbij. Dat werkt alleen als het monster nog niet enger is dan 'spannend'. Als het je zojuist de stuipen op het lijf heeft gejaagd, is vriendschap sluiten wel het laatste wat je wilt.
Nog voor ik er uit ben wat dan wél de beste aanpak is, hoor ik het monster zelf ook. Een langgerekt gierend geluid komt van buiten, zangerig en metalig, onderbroken door luid gegil. Het zou als soundeffect in een goede horrorfilm niet misstaan en ik kan dan ook volledig begrijpen dat het jongetje zich alweer huilend onder mijn arm verstopt heeft. Arm kuiken. Maar ík weet nu waar de angst vandaan komt en dat maakt de oplossing ineens glashelder.
Stap 1: Veiligheid. Eerst moet ik mijn bange kind ervan verzekeren dat monsters écht ons huis niet in kunnen en dat papa, mama en grote broer hem altijd zullen beschermen. 'Als ik een monster zie, dan pak ik 'm bij zijn staart en dan slinger ik hem zó naar de maan.' Dat argument is blijkbaar goed genoeg om te tranen te doen bedaren. Dan nu stap 2: de ontmaskering. 'Zullen we samen eens luisteren?' vraag ik? Het moppie klemt zijn tanden extra stevig in de snuit van Beer, maar hij luistert. Dan worden zijn ogen groot en steekt hij wijs zijn vingertje in de lucht. 'Hee, iemand moet lachen!' He, gelukkig, de angel is eruit nu. Als er mensen lachen, kan het monster zo kwaad niet zijn. Ik doe het gordijn open en zet mijn apie op de commode, vanwaar hij goed zicht heeft op de speeltuin tegenover ons huis. In het viezige oranje lantaarnschijnsel zien we net wat silhouetten: een fiets die aan de voet van de heuvel met het uitkijkhuisje staat, een haastig achtergelaten draaimolen, twee mensen die gillend en achter elkaar aan rennen naar de kabelbaan. De baan protesteert gierend onder het gewicht van de tortelduifjes.
Het zojuist nog bange jongetje lacht om wat hij ziet. 'Het zijn gewoon maar mensen,' concludeert hij zelf. Voor de zekerheid blijven we nog heel even kijken voor ik hem weer in bed leg. 'Monsters bestaan niet, hè mama?' merkt hij toch nog op als ik hem een kus geef. Ik weet wat hij bedoelt. In het licht, zelfs in viezig oranje schijnsel, kunnen monsters nooit bestaan, maar in het donker zijn ze soms maar al te echt.



Mooi. lief en beeldend Elske Marije!