piemels
- Elske-Marije

- 1 okt 2019
- 3 minuten om te lezen
De witte kast onder de trap zit zó vol dat ik het deurtje drie keer aan moet duwen voordat hij eindelijk goed dicht blijft zitten. Zo. Alles zit erin. Eindelijk.
Dat mijn kinderen elke dag opnieuw zo’n scene maken van het opruimen komt slechts voor 10% door genetische aanleg. Nog eens 10% heeft te maken met onze pedagogische aanpak, maar de overige 80% moet te wijten zijn aan het feit dat ik die takkebende zelf al niet eens fatsoenlijk in de kast gestouwd krijg. En ik beschik nog wel over enig ruimtelijk inzicht.
Het is ook geen erg grote kast, moet gezegd worden. Dat vond ik handig. Te veel speelgoed leek me namelijk helemaal niet goed voor kinderen. Met een kleine kast dwingen wij onszelf dus om bewuste keuzes te maken. Dat was althans de filosofie, maar zoals wel vaker, blijkt theorie écht iets anders dan praktijk.
De kast zit ramvol met zooi waarvan ik mezelf ooit plechtig beloofde dat nooit in huis te halen. Happy-meal-poppetjes, robotjes waarvan het geluid niet zachter kan, houten zwaarden waarmee je iemand een schedelfractuur kan meppen, een loeivalse blokfluit, zelf opgegraven schatten uit de speeltuin, puzzels waarvan elke dag weer een ànder stukje kwijt is, de plastic pop met een scheur in haar navel, duizend autootjes ‘want maham, deze rooie raceauto IS niet hetzelfde als die andere, dit is een ferrari', een tas vol knijpknuffeltjes van een of andere spaaractie en nog een Ikeabakje vol met spul waarvan ik niet eens meer weet hoe we er aan komen.
Ik erger me er groen en geel aan. Toch heb ik mezelf nog niet zo ver gekregen om er een project van te maken. Dat wordt wat! Persoonlijk zou ik het liefst de hele boel in de kliko mikken, maar de kinderen schreeuwen al moord en brand als ik een verroest bierdopje weg wil gooien. In hun ogen is alles een schat.
Maar feit is, hoe gehecht ze ook zeggen te zijn aan die bende, met de meeste dingen spelen ze slechts sporadisch. Het favoriete speelgoed hier in huis, gerangschikt naar populariteit, is nog altijd.
3. lego
2. kleurpotloden
1. piemels
De piemels staan met stip op 1. Dat is echt het enige speelgoed wat zo goed als de hele dag niet losgelaten wordt. Ik snap het ook wel. Je kunt er aan friemelen, aan trekken, in knijpen en dan voelt dat fijn. Je kunt er vieze grapjes over maken. Hij doet soms leuke kunstjes, zoals rechtop staan, en je hoeft hem niet op te ruimen. Zelfs niet als je naar bed gaat. Bovendien: er is nooit onenigheid over. Ze gaan niet kapot, ze raken hem nooit kwijt en het is altijd duidelijk welke van wie is. Ideaal speelgoed eigenlijk. Jammer dat meisje er geen heeft.
Dat lijkt meisje zelf ook te vinden. Meestal is het gemis behoorlijk goed te dragen, hoor, maar er is dat moment, dat ene moment, dat het allemaal éxtra oneerlijk lijkt. Met zijn allen onder de grote douche. Allemaal zonder broek aan naast elkaar is het verschil ineens overduidelijk. Meisje kijkt met grote, verbaasde ogen naar haar broers, die met liefde een showtje opvoeren waarin alle mogelijkheden van het speeltje uitgebreid gevierd worden. Ze doen wilde blote-billen-apendansjes en bungelen hun kostbare bezit voor haar neus.
‘KIJK DAN! KIJK DAN!’

Meisje is gehypnotiseerd. Ze zet een voorzichtig stapje in de richting van haar broer, strekt haar arm uit, maar nét voordat ze dat slurfje kan pakken, slaat grote broer in gemaakte paniek zijn handen ervoor. ‘AAAAAH, ze wil mijn piemel hebben!’ Hij danst lachend een paar stappen opzij. Meisje giert mee, een beetje van de schrik en een beetje van de pret. Nog geen tien seconden later staat de volgende broer alweer uitdagend te zwiepen.
‘PAK ‘M DAN, ALS JE KAN!’, maar ook hij ontwijkt haar grijpbeweging.
Ze vermaken zich uitstekend met dit spelletje.
Een seconde lang vraagt mij volwassen brein zich af of dit wel gepast is. Ik duw de vraag meteen aan de kant. Ja, dit is gepast. Dit is een spelletje van kinderen die ontdekken hoe hun lijf eruit ziet, dat het ene lijf anders is dan het andere. Het gaat over onschuld, over schaamtevrij zijn, over voelen dat je lichaam je plezier kan brengen, en ook over het aangeven van je eigen grenzen.
‘Mijn piemel is fantastisch en ik ben er trots op, maar je mag er niet aankomen.’ Op deze manier leren ze deze les veel beter dan wanneer ik het ze uit zou leggen. Dat maakt dit spelletje uitermate gepast.
Ik zie hoeveel lol de kinderen hebben en ik glimlach. Straks na het douchen maar een vuilniszak pakken en die kast uitmesten. Ze hebben dat andere speelgoed toch niet nodig.


Opmerkingen