Vulkaan
- Elske-Marije

- 7 jun 2018
- 4 minuten om te lezen
Volgens mij zijn de ouders in Nederland grofweg op te delen in twee kampen.
1. Kamp Hoera-voor-de-speelhal-ouders, die er ontzettend van genieten als hun kind er vandoor stuift om de zacht beklede verre krochten van het immense klimdoolhof te ontdekken,
2. Kamp speelHEL-zul-je-bedoelen-ouders, die nachtmerries hebben van piepende oren, kleuters die verdrinken in de ballenbak en naar zweet riekende, hyperactieve monsters die alleen nog maar ‘GEEFIJSPATATSNOEP’ kunnen krijsen.
Een poos lang heb ik niet echt geweten bij welk kamp ik hoorde, tot de laatste dag van 2016.
Oudejaarsdag leek me de perfecte dag om eens een poging tot indoorspelen te wagen. De grote jongen verveelde zich stierlijk in de vakantie en ik schatte in dat de rest van Nederland druk zou zijn met oliebollen bakken en rotjes afsteken.
Gelukkig had ik gelijk. Slechts een handvol mensen was op hetzelfde idee gekomen.
Fantastisch! Dat scheelde zeker een paar graden Celsius en tientallen weerkaatsende decibellen.
Bijkomend voordeel was dat deze rust onze held op sokken goed deed. Ik was van hem gewend dat hij geen enkele fysieke uitdaging aanging als er ook maar het minste risico op botsen, vallen of schrikken was. Dat gevaar bestaat doorgaans al snel met andere kinderen in de buurt, en dus vermaakte de dappere dodo zich dan met enthousiast om de actie heen fladderen. Maar wonder boven wonder was er van zijn voorzichtigheid niets te bespeuren vandaag. Wat zeg ik: de dag bracht zoveel heldhaftigheid in hem naar boven dat hij zich na een kwartier dapper genoeg voelde om tegen de stijle, vier meter hoge springkussenvulkaan op te klimmen. Ik weet niet wie er trotser was op die actie, hij of ik, maar in elk geval heb ik voor hem geklapt alsof hij Epke Zonderland was.
Waarschijnlijk – ik had het kunnen weten – heeft hij met die klim meteen al zijn lef voor de dag opgebruikt, want natuurlijk durfde het kuiken met geen mogelijkheid meer naar beneden. De trotse glimlach maakte plaats voor een paniekerige frons en mijn lieve kind bevroor. Geen beweging meer in te krijgen.
Een kwartier lang heb ik tevergeefs geprobeerd hem moed in te praten, maar meer dan een bungelende voet over de rand kreeg ik bij hem niet voor elkaar. Er zat maar één ding op:
ik moest hem gaan halen.
Ik, die altijd al bang was voor de bal, de bok, het touw en praktisch alle andere onderdelen van de gymles.
Ik, die aan mijn zwangerschapskilo’s vasthoud als waren ze van goud.
Ik moest eraan geloven.

Nu beschik ik over de snelheid van een zeester en de souplesse van een spoorbiels, dus no way zou het me lukken om soepeltjes tegen de helling op te rennen. Gelukkig zaten er klimwandachtige handgrepen aan de zijkant van de berg, ongetwijfeld bedoeld voor reddingsacties als de mijne.
Dit was niets meer dan een potje verticale Twister, maakte ik mezelf wijs. Linkerhand op geel, rechtervoet op blauw. Ophijsen, rechterhand op groen, linkervoet op rood.
En daar ging ik dan, omhoog om mijn kind te redden en hem te bewijzen dat dit speelgevaarte HEUS niet eng was.
Links, rechts, op.
Blauw, rood, op, tot ik daadwerkelijk de top van de vulkaan bereikt had.
YES!!! Ik had het gehaa…
Maar halverwege deze triomfantelijke gedachte gleed mijn voet weg en schoof ik hulpeloos op mijn buik over de handgrepen het hele end weer naar beneden.
Goed, niet het hele end, want halverwege werd mijn glijpartij geremd. Op zo’n twee meter hoogte bleef ik hangen aan de blijkbaar ijzersterke resten van mijn verder volledig uitgescheurde tuniek en bh, die ongeveer een meter boven mijn hoofd achter een handvat waren blijven steken.
Ik zal ongetwijfeld een fraai plaatje hebben gevormd voor de koffiedrinkende ouders, bungelend op mijn buik boven hun spelende kinderen.
Terwijl ik me de horror van deze scène realiseerde, drong ook tot me door wat me nog te wachten stond. Om mezelf uit mijn benarde positie te bevrijden, zou ik eerst terug omhóóg moeten klimmen om mijn kleding los te haken. Dan moest ik nog mijn zo goed als naakte voorkant zien te bedekken, voor ik – hopelijk zonder mezelf nog belachelijker te maken – verder naar beneden gleed.
Godzijdank slaagde ik ditmaal wel.
Het liefst was ik, eenmaal beneden, ter plekke in stof opgegaan, zij het niet dat mijn bibberende jong nog altijd op vier meter hoogte zat. Het leek me waarschijnlijk dat ik hem met mijn actie niet persé het vertrouwen had gegeven dat hij nu ook zelf naar beneden kon. En dus knoopte ik mijn vest stevig om me heen, zette mijn ‘zo doe ik dat altijd’-blik op en ging op zoek naar een medewerker die mijn kind weer veilig op de grond kon zetten. Iets wat ik beter meteen had kunnen doen, want binnen 3 minuten stond hij weer naast me.
Kind gered, kleding en waardigheid gesneuveld.
‘Dat ging niet zo goed, he mama?’
Sinds die dag heb ik geen voet meer in een binnenspeeltuin gezet. Ik heb mijn eigen Kamp 3 gecreëerd. Ik gun mijn kinderen absoluut de lol en uitdaging van het klimparadijs. Daarvoor zet ik me graag over oorpijn en zuurstoftekort heen, maar de gedachte dat iemand me aan zou kunnen spreken met ‘Hee, was jij niet die moeder die aan haar bh aan de vulkaan bungelde?’ is tot nu toe onoverkomelijk gebleken. En oh, en het idee dat ik ooit nog eens een kind zou moeten redden is al helemaal een obstakel. Zeg maar rustig een berg, van ruwweg vier meter hoog.
Van wie zou mijn zoon zijn terughoudendheid toch hebben?



Hahaha! Wat een prachtverhaal!